Pijntherapie - transforaminale epidurale infiltratie
Op deze pagina
Voorbereiding
Lees zeker ook even “pijntherapie - algemeen” na.
Na afloop van de infiltratie mag je uit veiligheidsoverwegingen zelf geen voertuig besturen. Tref daarom de nodige maatregelen voordat je naar het ziekenhuis vertrekt omtrent begeleiding terug naar huis. Tijdens de duur van jouw behandeling kan jouw begeleider wachten in de ziekenhuiscafetaria.
Breng geen kinderen mee naar het ziekenhuis.
Verloop
Je hebt uitstralingspijnen in de ledematen of in de romp ten gevolge van irritatie van een zenuw die dit pijnlijk gebied bezenuwt en dit gedurende een periode van minder dan zes maanden. Een transforaminale infiltratie heeft door het inspuiten van een corticoïd als doel de geïrriteerde en gezwollen zenuw te ontzwellen zodat deze opnieuw voldoende plaats krijgt en daardoor minder pijn veroorzaakt.
Voor een behandeling ter hoogte van de halsstreek, lig je op de behandelingstafel op de rug. Voor een lumbale behandeling lig je op de buik op een kussen om zo de wervelkolom uit te vlakken.
Het zuurstofgehalte in het bloed en het verloop van de hartslag worden gemeten en gemonitord met behulp van een knijper op de vinger. Dit is volledig pijnloos.
De hals of rug wordt ontsmet met een roze ontsmettingsvloeistof. Onder fluoroscopische controle brengt de arts een fijne naald in, dichtbij de te behandelen zenuwstructuur. Met contraststof wordt vervolgens nagegaan of de verdovende vloeistof de correcte plaats bereikt. Vervolgens wordt een kleine hoeveelheid lokaal verdovende stof en een corticoïdpreparaat rond de geïrriteerde zenuw geplaatst.
Aangezien je zelf geen voertuig mag besturen na afloop van de behandeling, laat je je best naar huis begeleiden. Je mag ook geen machines of gevaarlijke apparaten bedienen en vermijdt best het nemen van belangrijke beslissingen op de dag van de behandeling.
Aandachtspunten
Bij elke behandeling kunnen zich verwikkelingen voordoen. Deze lijst is een algemeen overzicht en kan niet als volledig beschouwd worden.Tijdelijke krachtsvermindering in een van deledematen tengevolge van de verdoving van de zenuw.Pijn gedurende een aantal dagen na de procedure.Cortisonegerelateerde nevenwerkingen: blozen, zweten, hoofdpijn, maagpijn, hartkloppingen, lichte ontregeling van de vrouwelijke cyclus met eventueel vaginaal bloedverlies, tijdelijke ontregeling van bloeddruk en bloedsuikergehalte. Diabetici dienen regelmatig hun suikerspiegel te controleren.Minimale kans op infecties.Bloedingen: het risico hierop is vrij klein en voor elke lokalisatie verschillend. Vandaar de maatregel om bij bepaalde injecties geen bloedverdunnende medicatie te gebruiken. Let wel, aan het stopzetten van bloedverdunnende medicatie zijn eveneens risico’s verbonden, in verhouding tot de reden waarom je bloedverdunnende medicatie neemt. Meldt steeds aan de arts en het zorgteam dat je deze medicatie neemt, en zet deze medicatie stop in overleg met een arts.Zenuwbeschadigingen: er wordt gehandeld volgens de huidige internationaal geldende richtlijnen waardoor het risico hierop uiterst klein is (minder dan 1 op 100.000).Klaplong bij procedures ter hoogte van de borstkas en het ribbenrooster. Deze complicatie komt vrij zeldzaam voor. Indien je tijdens de periode na de infiltratie klachten van kortademigheid of pijn ter hoogte van de borstkas vaststelt, dien je je naar de dichtstbijzijnde spoedgevallendienst te begeven.Een allergische reactie kan optreden naar aanleiding van de toegediende medicatie. Dit is een vrij zeldzame complicatie.